
Omslagdoek haken
met grannysteek
Van een klein lossenringetje naar een soepele driehoek voor je schouders. Leer groepjes van drie stokjes haken, herken de middenpunt en controleer iedere rij met een duidelijke telhulp.
Begin met twee groepjes van drie stokjes in een lossenring, met twee lossen ertussen. Keer iedere rij. Haak groepjes in de zijopeningen, twee groepjes in de middenpunt en een randgroepje aan elk uiteinde. Met iedere rij groeit de doek met twee groepjes.
Benodigdheden voor een gehaakte granny-omslagdoek
Een omslagdoek haken met grannysteek begint klein en groeit iedere rij aan beide kanten. Je werkt met groepjes van drie stokjes en herkent de middenpunt aan een opening van twee lossen. Daardoor kun je de vorm én de telling steeds controleren. Het petrolblauwe model is één driehoek zonder naad, franjes of aparte sierrand.
Voor de koude maanden past een soepele wol of wolmix bij dit open haakwerk. Draag de doek als extra laag om je schouders of met de punt naar voren over een trui. De ruimte tussen de groepjes hoort bij de steek; voor een dichte, windwerende stof kies je een ander soort haakwerk.
- Garen: glad, middeldik garen, bijvoorbeeld een wolsoort met ongeveer 100–125 meter per 50 gram. Kies voor een eerste doek één effen kleur, zodat je de openingen goed ziet.
- Werkvoorraad: denk voor een ruime doek voorlopig aan circa 600–900 meter. Dit is een planningsindicatie, geen gemeten verbruik of gegarandeerd voldoende hoeveelheid voor elke maat.
- Haaknaald: begin rond 4,5–5 mm en beoordeel of het lapje soepel valt. Pas de maat aan je garen en hand van haken aan.
- Verder: drie steekmarkeerders, een wolnaald, schaar, meetlint en eventueel een keukenweegschaal voor je eigen verbruikscontrole.
Een materiaalvoorbeeld is DROPS Karisma: 100% wol en circa 100 meter per 50 gram. Je hoeft dit merk niet te gebruiken. De stekenverhouding op de garenpagina is een breiverhouding; gebruik die niet als maatgarantie voor deze gehaakte driehoek. Controleer voor het wassen altijd het etiket van jouw garen.

Over deze uitleg: dit is een eigen redactionele uitwerking van de traditionele granny-driehoek. De tellingen zijn rekenkundig gecontroleerd; er is geen fysiek proefmodel gemaakt. De vijf AI-beelden zijn illustratief. Maten en werkvoorraad zijn richtlijnen en worden pas concreet door jouw eigen proefstuk.
Maat en proefstuk: eerst de vorm, daarna de centimeters
Kies als uitgangspunt een doek van ongeveer 140–160 cm breed langs de bovenkant. Hoe diep de punt valt, hangt af van je garen, stekenhoogte en spanning. Meet de bovenbreedte van hoek tot hoek en de diepte vanaf het midden van de bovenrand tot de onderste punt. Trek de doek daarbij niet uit.
Het patroonvoorbeeld loopt tot 40 rijen, maar veertig rijen leveren niet met ieder garen dezelfde maat op. Haak de eerste tien rijen als proefstuk. Leg dit driehoekje ontspannen neer, controleer de telling en maak het volgens het garenetiket voorzichtig vochtig. Laat plat drogen voordat je de maat beoordeelt. Het Craft Yarn Council licht toe waarom naaldmaat en persoonlijke spanning de stekenverhouding beïnvloeden.
Valt het proefstuk te stug, probeer dan een iets grotere naald met hetzelfde garen. Worden de lussen heel los en verliest de driehoek zijn vorm, probeer dan een kleinere. Een ander materiaal kan meer verschil maken dan harder of losser aan de draad trekken. Noteer welke combinatie prettig over je schouder valt.
Illustratief rekenvoorbeeld: zou jouw doek bij rij 6 ongeveer 24 cm breed zijn en bij rij 10 ongeveer 40 cm, dan groeit hij in dat stukje gemiddeld 4 cm per rij. Voor 140 cm kom je voorlopig rond rij 35 uit. Dit zijn aangenomen voorbeeldwaarden om de berekening te tonen, geen testresultaten. Meet tijdens het verder haken opnieuw.
De lange rijen vragen steeds meer garen. Rij 40 bevat vier keer zoveel stokjes als rij 10, en het hele werk tot rij 40 bevat veel meer steken dan de eerste tien rijen samen. Weeg je eigen proefstuk en de resterende voorraad als je met restjes werkt. Voeg een nieuwe bol bij voorkeur aan een rijbegin toe en houd voldoende over om de laatste rij helemaal af te maken.
De grannysteek en Nederlandse afkortingen
| Afkorting | Betekenis | Toepassing |
|---|---|---|
| l | losse | Beginring, rijbegin en openingen |
| hv | halve vaste | Alleen om de beginring te sluiten |
| stk | stokje | De steken van de grannygroepjes |
| groepje | 3 stokjes op dezelfde plek | De terugkerende basis |
| l-ruimte | opening onder één of meer lossen | Hier haak je om de lossen heen |
Voor een stokje sla je de draad om de naald, steek je in de aangegeven plek en haal je een lus op. Met drie lussen op de naald sla je opnieuw om en haal je door twee lussen. Sla nogmaals om en haal door de laatste twee. Drie stokjes in dezelfde opening vormen één groepje; ze worden niet samen doorgehaald.
In de zijkanten komt tussen twee groepjes steeds één losse. Alleen in de middenpunt haak je twee lossen tussen twee groepjes. Die grotere opening markeer je. Vanaf rij twee werk je de gewone groepjes in de lossenruimtes van de vorige rij, dus om de losse heen en niet één stokje op iedere losse bovenste steek.
De drie beginlossen tellen in dit patroon als één stokje. Samen met twee stokjes in dezelfde eerste steek vormen ze het eerste groepje. Aan het andere uiteinde haak je drie stokjes in de bovenste, derde beginlosse van de vorige rij. De beginlossen zijn dus een echte randsteek. In Amerikaanse bronnen heet een Nederlands stokje double crochet, afgekort dc; zie de CYC-afkortingenlijst.
Omslagdoek haken: de eerste drie rijen
Je haakt heen en weer. Na een voltooide rij keer je het werk, zodat de richting wisselt. Alleen het kleine lossenringetje wordt met een halve vaste gesloten. De rijen van de driehoek sluit je niet tot een ronde.
Maak een beginring
Laat ongeveer 15 cm begindraad over. Haak vier lossen en sluit met één halve vaste in de eerste losse tot een ring. Maak de ring niet zo strak dat de haaknaald er nauwelijks doorheen past. De volgende stokjes komen om deze ring heen.
Rij 1: twee groepjes
Haak drie lossen; die vervangen het eerste stokje. Haak twee stokjes in de ring. Haak twee lossen en vervolgens drie stokjes in dezelfde ring. Je hebt nu twee groepjes, samen zes stokjes inclusief de beginlossen, met één middenopening van twee lossen.
Plaats een markeerder in die middenopening. De opzet vormt de kleine start bovenaan in het midden van de latere doek. Laat de markeerder niet in de oude opening zitten wanneer de volgende middenpunt klaar is: hij verhuist iedere rij.
Rij 2: vier groepjes
Keer het werk. Haak drie lossen en twee stokjes in de eerste steek van de vorige rij: dit is het laatste stokje dat je zojuist haakte. Haak één losse. Haak in de gemarkeerde middenopening: drie stokjes, twee lossen, drie stokjes. Verplaats de markeerder naar de nieuwe opening van twee lossen.
Haak één losse en dan drie stokjes in de bovenste, derde beginlosse van rij 1. Stop daar. Je hebt vier groepjes, twaalf stokjes en twee zijopeningen van één losse. De middenopening telt afzonderlijk.
Rij 3: zes groepjes
Keer. Haak drie lossen en twee stokjes in de eerste steek, daarna één losse. Haak drie stokjes in de eerste zijopening van één losse en haak één losse. Werk in de middenopening: drie stokjes, twee lossen, drie stokjes. Verplaats de markeerder.
Haak één losse, drie stokjes in de volgende zijopening en één losse. Eindig met drie stokjes in de derde beginlosse van rij 2. Je telt nu zes groepjes, achttien stokjes en vier zijopeningen van één losse. Aan weerszijden van de middenlijn staan evenveel groepjes.

Hulp bij de randen: markeer naast de middenopening ook de derde beginlosse en het laatste stokje van de rij. Dat zijn de twee plekken waarin de randgroepjes van de volgende rij komen. Zo verwar je de buitenrand niet met een lossenruimte.
Rij 4 tot en met 40: dezelfde opbouw herhalen
Vanaf nu komt de uitbreiding vanzelf terug. Je voegt aan de buitenkanten een randgroepje toe en in de middenopening staan steeds twee groepjes. De bestaande zijopeningen worden elk gevuld met één groepje. Je hoeft geen ingewikkelde meerderingen in losse stokjes te verdelen.
Begin iedere nieuwe rij aan de buitenrand
Keer het werk. Haak drie lossen en twee stokjes in de eerste steek. Haak één losse. Werk vervolgens drie stokjes in iedere zijopening van één losse die je tegenkomt, met telkens één losse na zo’n groepje, totdat je de gemarkeerde middenopening bereikt.
Maak de middenpunt en de tweede helft
Haak in de middenopening drie stokjes, twee lossen en drie stokjes. Verplaats de markeerder naar de nieuwe twee lossen. Haak één losse. Werk aan de tweede helft opnieuw drie stokjes in iedere zijopening, telkens gevolgd door één losse. Eindig met drie stokjes in de derde beginlosse van de vorige rij. Voeg na dit laatste groepje geen losse toe.
Controleer en ga verder tot jouw maat
Herhaal dit voor rij 4, 5, 6 en iedere volgende rij tot en met rij 40 van het voorbeeld. Controleer na iedere rij of beide helften evenveel groepjes hebben. Meet geregeld de ontspannen doek. Wil je eerder stoppen of juist verder haken, doe dat altijd na een volledig afgewerkte rij.
| Rij | Groepjes totaal | Stokjes totaal | Zijopeningen van 1 losse |
|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 6 | 0 |
| 2 | 4 | 12 | 2 |
| 3 | 6 | 18 | 4 |
| 4 | 8 | 24 | 6 |
| 5 | 10 | 30 | 8 |
| 10 | 20 | 60 | 18 |
| 20 | 40 | 120 | 38 |
| 30 | 60 | 180 | 58 |
| 40 | 80 | 240 | 78 |
Iedere rij heeft daarnaast precies één middenopening van twee lossen. Voor een willekeurige rij n geldt: 2 × n groepjes, 6 × n stokjes en 2 × n − 2 zijopeningen. Bij rij 40 staan veertig groepjes aan elke kant van de middenlijn. Tel groepjes eerst per helft; dat werkt rustiger dan 240 afzonderlijke stokjes tellen.

Afhechten, draadjes wegwerken en vormen
Haak de laatste rij helemaal af, inclusief het laatste randgroepje. Knip de draad af met ongeveer 15 cm rest en trek hem door de actieve lus. Een extra toer vasten of een schulprand hoort niet bij dit basismodel.
Werk de begindraad stevig door verschillende steken rond de start weg, zodat het lossenringetje gesloten blijft. Rijg andere draadstaarten aan de achterkant door een paar groepjes en verander voorzichtig van richting. Trek daarna het haakwerk ontspannen recht voordat je het resterende uiteinde afknipt. Maak geen harde knoop midden in een open vakje.
Behandel de doek volgens het garenetiket. Bij vochtig vormen leg je hem op een schone handdoek, druk je het vocht voorzichtig uit en spreid je hem uit. Schik eerst de bovenrand en dan de punt. Gebruik eventueel roestvrije spelden in een geschikte ondergrond; verdeel de spanning rustig. Rek de openingen niet groot om een centimeterdoel te halen.
Laat volledig plat drogen en haal daarna alle spelden weg. Pas de doek over je schouders. Een kleine vervorming door het neerleggen is normaal; een ontbrekend groepje of een scheve middenlijn repareer je in de betreffende rij, niet met harder opspannen.

Veelvoorkomende fouten herkennen
De doek trekt tot een kom
Controleer de twee randgroepjes en de middenpunt. In het midden horen twee groepjes met twee lossen ertussen. Ontbreekt aan één kant een randgroepje, dan groeit die helft onvoldoende. Haal terug tot de eerste fout.
De rand gaat golven
Zoek naar een extra groepje of een dubbel gebruikte zijopening. In een gewone zijopening komt maar één groepje. Controleer ook of je niet twee lossen tussen de zijgroepjes maakt; daar hoort er één.
De bovenrand voelt strak
De drie beginlossen moeten de hoogte van een stokje kunnen bereiken. Trek ze niet samen. Haak het eerste stukje opnieuw met een ontspannen draadspanning of probeer een passende andere naaldmaat en beoordeel de vorm opnieuw.
De helften zijn ongelijk
Tel groepjes aan beide kanten van de middenopening. Ze horen gelijk te zijn. Check vooral de laatste groepjes vóór de punt en de laatste randgroep. Verplaats de markeerder pas nadat de nieuwe middenopening is gemaakt.
De doek aanpassen zonder de telling te veranderen
Voor een kleinere schouderdoek stop je eerder; voor een ruime omslagdoek voeg je volledige rijen toe. Dezelfde formule blijft gelden. Met fijner garen krijg je bij hetzelfde rijaantal een andere maat en val. Meet daarom opnieuw in plaats van alleen een ander haaknaaldnummer te kiezen.
Wil je later strepen, wissel dan uitsluitend aan een rijbegin en werk de uiteinden zorgvuldig weg. Maak je eerste versie gerust effen: de middenlijn en openingen zijn dan eenvoudiger te volgen. Een rand of franjes toevoegen kan extra garen vragen en valt buiten de telling van dit patroon.
Haak je liever eerst een kleiner winteraccessoire? Bekijk de colsjaal van één rechthoek of de eenvoudige ribbelmuts. Voor oefenen met rustige rechte rijen is er ook de dunne boekenlegger.
Techniekvideo voor het stokje
Bekijk DROPS: een stokje haken voor het omslaan en doorhalen. De video heeft begeleidende Nederlandse tekst. Yarnspirations toont dezelfde steek als Amerikaanse double crochet.
Deze video’s leggen de basissteek uit. Gebruik voor de beginring, middenpunt, randgroepjes en aantallen de rijbeschrijving van dit artikel.
Veelgestelde vragen over een omslagdoek haken
Is grannysteek geschikt voor beginners?
Ja, als je lossen en stokjes kunt haken. Begin langzaam met de eerste drie rijen en gebruik markeerders. De gewone herhaling komt daarna steeds op dezelfde manier terug.
Tellen de drie beginlossen als een stokje?
Ja. Samen met twee stokjes in de eerste steek vormen ze het randgroepje van drie. Tel die beginlossen dus één keer mee en haak aan het andere uiteinde in de bovenste, derde beginlosse.
Moet ik veertig rijen maken?
Niet per se. Veertig is het uitgewerkte rekenvoorbeeld. Kies je eigen breedte, meet tijdens het haken en stop na een volledige rij. Meer rijen vragen steeds meer garen.
Waarom zijn er twee lossen in het midden?
De middenopening vormt de punt en krijgt in de volgende rij weer twee groepjes. De zijopeningen krijgen elk één groepje. Daarom markeer je de middenopening apart.
Kan ik katoen gebruiken?
Je kunt een eigen proefstuk met katoen maken, maar het gewicht en de val veranderen. Het garenvoorbeeld en de winteruitvoering in dit artikel zijn op wol gericht. Bepaal de maat en voorraad opnieuw voor jouw materiaal.
Hoeveel tijd kost deze omslagdoek?
Dat hangt af van je ervaring, maat en garen. De laatste rijen zijn veel langer dan de eerste. Plan meerdere haakmomenten en gebruik je eigen snelheid na tien rijen als praktische indicatie.
Bronnen en toelichting
Deze uitleg beschrijft een traditionele basisconstructie in eigen woorden. Er is geen volledig ontwerp van een andere maker overgenomen of vertaald. De materiaal- en techniekbronnen zijn gecontroleerd op 27 oktober 2026.
- DROPS Karisma — samenstelling en looplengte als materiaalvoorbeeld.
- DROPS: een stokje en Yarnspirations: double crochet — basistechniek.
- Craft Yarn Council: stekenverhouding en haakafkortingen.
De onderwerpkeuze is mede gebaseerd op gedateerde voorbeelden van granny-omslagdoeken en gebruik door makers uit eerdere jaren. Die geschiedenis bewijst geen toekomstig bereik of gemeten Pinterest-zoekvolume.
Bewaar de basisregel
Drie stokjes per groepje, één losse tussen de zijgroepjes en twee lossen in de middenpunt. Keer iedere rij, vul elke zijopening één keer en vergeet de twee randgroepjes niet. Tel daarna evenveel groepjes aan beide kanten van het midden.